Ik waag een poging om voor mijn bezoek aan de boekenmarkt ruimte in mijn kast te creëren. Een stapel met 'kan weg', een aantal 'twijfel' en de rest 'blijft'. Tijdens mijn selectie stuit ik op een steen. Herinneringen schieten door mijn hoofd. Verse nog. Volgens mij is het precies een jaar geleden dat ik door de straten van Florence liep. Via Piazza Della Signoria op zoek naar het Uffizi museum. In Forence horden mensen. Massa toeristen. Te druk voor mij. In de wachtrij voor het Uffizi. Prognose? Drieënhalf uur wachttijd. Ik niet. Jammer. De teleurstelling had ik kunnen voorkomen als ik in plaats van 'hartje zomer' een ander moment had gekozen om het museum te bezoeken. Ik verheugde me op Caravaggio, Michelangelo en da Vinci. Bovenal om mijn voetstappen in de imposante zalen van het dito museum te kunnen zetten.Knop om. Ik leef en Florence en het Uffizi blijven. Ik kom terug. Ik overdenk terwijl ik de schaduw probeer te pakken. Met mij vele andere toeristen. Ook deze gewilde plekjes blijken schaars. Doorlopen dan maar. Van het hoofd naar de maag. Verplaatst het verlangen van kunst zich naar voedsel, drank en koelte. Trattoria gezocht! Op weg van het museum naar een straatje vol met typisch Italiaanse restaurantjes, laat ik rivier 'De Arno' links van me liggen. Op een brug tegenover de Ponte Vecchio wordt water verkocht. Ik snel me hier naar toe, maar word gehinderd door commotie. Een Koreaanse dame schreeuwt zo hard 'Fernando', dat de naam weerkaatst op het kabbelende water van De Arno en boven het toeristisch rumoer uitkomt. Commotie gaat over in een normaal gesprek. Hier overstijgt een ander geluid. Het is een fiets, dat is zeker. Waarbij de slag van het wiel vertraging lijkt op te lopen door een schuurmoment met het spatbord.
De menigte op de brug draait zich om. Hoewel, op een afstand van drie meter zie ik dat het al met al om vijf personen gaat. Net als die vijf draai ik me ook om naar het geluid van het schurende wiel. De eigenaar van de fiets, zou dat Fernando zijn? Ik haast me - nieuwsgierig als ik ben - op de brug om deel uit te kunnen maken van het schouwspel. Ik kan niet anders. Niet voor niets loop ik hier. Wat is toeval? Ik word deelnemer nummer 6. Samen wachten we op Fernando. Het geschuur van het wiel tegen het kapotte spatbord komt steeds dichterbij. Wie is die man? vraag ik me af. Die voor de Koreaanse zo bijzonder is. Opnieuw kijk ik om. Dit keer omdat het gerammel opeens onderbroken wordt door een gigantische knal. Voordat ik überhaupt besef wat er gebeurt, moet ik een dag wachten. Inclusief buil op mijn hoofd.
Ik word wakker in Ospedale di Santa Maria Nuova. Voorzichtig open ik mijn ogen en kijk verdwaasd om me heen. De kamer is steriel wit. Tegenover mijn bed staat een dressoir met daarop een kleine televisie. Aangeschoven staat een jaren zeventig stoeltje. TL-lampen zorgen voor een gedempt licht. Rechts naast mij staat een ziekenhuisbed. Links van mij twee. Alle drie leeg. Ziekenhuis? Ik schiet acuut overeind. Een actie die me duur komt te staan. Een helse steek in mijn hoofd dwingt me om heel voorzichtig weer te gaan liggen. Ik snap het niet! Wat doe ik hier? Hoe kom ik hier? Mijn hand reikt naar mijn voorhoofd waar ik rechtsboven verband en pleisters aantref. Ik sluit mijn ogen en probeer in de tijd terug te gaan. Geen flarden zelfs. Vanuit mijn kussen hoor ik dat er iemand de kamer inloopt. Voorzichtig open ik mijn ogen en zie dat mijn lief een paar plastic bekertjes met water op het nachtkastje naast mijn bed zet. Naast de bekertjes ligt een steen. Met daarop minuscuul 'Ponte Vecchio' geschilderd.
En lief vertelt. Dat Fernando's fietsband klapte. Waarschijnlijk door het geschuur tegen het spatbord. Het (werk)mandje op de fiets, met daarin alle kwasten, tubes verf en stenen kunstwerkjes, door de plotselinge klap losliet, waarna de stenen als stuiterballen door de lucht vlogen. Eén ervan kwam terecht op mijn hoofd. Ik raakte bewusteloos en gewond. Een ambulance bracht me hier. Waarschijnlijk mag ik vandaag het ziekenhuis verlaten. Ik pak de boosdoener van het nachtkastje en bekijk het kunstwerkje nu met meer aandacht. Groot is de steen niet. Hooguit 7 bij 3 centimeter. De bonte kleuren samen stellen inderdaad de beroemde brug voor. "En Fernando? En de rest van het zestal op de brug?" vraag ik?
Anderhalve dag later verlaat ik het ziekenhuis en lopen we nog een keer door de straten van Florence, De Arno links van ons. Op zoek naar Fernando. Als een flashback hoor ik opnieuw iemand heel hard zijn naam roepen. Flarden schieten nu wel door mijn hoofd. Beelden bezorgen me opnieuw een stekende pijn. Versterkt door de zon. Mijn zonnebril helpt niet om de pijn te voorkomen. Ik herinner me alles weer. Geen schurende en rammelende geluiden dit keer. De Koreaanse staat wel weer op de brug. En voor het eerst zie ik de kunstenaar Fernando. Zijn fiets is zijn atelier. Tot in detail plaatst hij bruggen, gebouwen en straten van Florence op kiezelstenen. Voor 1, 2 of 3 euro biedt hij ze aan. Een kleine man met op zijn hoofd een grote gehavende strohoed. Zijn iele lijf in een strak zittend wielrennersshirt. De schildersattributen op zijn fiets heeft hij weer op orde. De man leeft van de straat. Leeft wellicht zelfs op straat. Fernando ziet dat ik hem observeer. Ik krijg een grijns. Ik zet mijn zonnebril af en probeer te reageren. Een mislukte knipoog. Meer prestatie kan ik op dat moment niet leveren. In het kleine zakje van mijn jurk beweeg ik de steen tussen mijn vingers. Bedoeld om terug te geven, tref ik hem een jaar later in mijn boekenkast.


Geen opmerkingen:
Een reactie posten